Onderzoeker: Marieke van Egeraat
Begeleiders: Lotte Jensen en Johan Oosterman

Het eerste project concentreert zich op de representaties van rampen tussen 1517 en 1609. Er is gekozen voor deze periode omdat religieuze spanningen in dit tijdsbestek toenamen. De discussie tussen de verschillende geloven geeft ruimte om ook hun specifieke perspectieven op het verklaren van rampen te bestuderen. In 1609 waren de verschillende religies min of meer gedefinieerd en verschoof de discussie van tussen religies naar binnen één religie. Dit is daarom een logisch eindpunt.

De promovendus onderzoekt deze duidingen van rampen in pamfletten en handgeschreven kronieken. Deze bronnen zijn gekozen om twee redenen: ze complementeren elkaar als het aankomt op welke rampen erin worden verteld en ze kunnen inzicht geven in hoe nieuws over rampen zich verspreidde en geconsumeerd werd. Rampen worden in dit project zeer breed gedefinieerd, zo worden ook natuurtekens meegenomen zoals aangespoelde walvissen en bloedregens. Hoewel er een verschil is tussen een overstroming en een verschijning van een komeet, legden mensen in de zestiende eeuw ze hetzelfde uit: het waren straffen van God. Goddelijke voorzienigheid zal daarom het hoofdthema zijn van dit project. 

Identiteit is een interessant concept voor deze periode, vanwege het veranderende religieuze landschap in de zestiende eeuw en de politieke strijd vanaf 1568. Dit project richt zich daarom met name op religieuze identiteit, de verschillende gebruiken van het idee van goddelijke voorzienigheid door deze religieuze groepen en hun discussie met andere verklaringen van rampen, zoals verklaringen uit de wetenschap. Bovendien verdient ook het politieke gebruik van goddelijke voorzienigheid aandacht. Vooral na 1570 wordt het voorzienigheidsvertoog gebruikt om groepen van elkaar te onderscheiden. Als laatste, zal de promovendus ook apocalyptisch gedachtegoed rondom rampen bestuderen.